17 juni 2007

toekomst van wetenschap

Iedereen heeft een binnenwereld en een buitenwereld.

Via de zintuigen staan binnenwereld en buitenwereld met elkaar in contact. Dingen die in de buitenwereld gebeuren hebben dus invloed op de binnenwereld.

In de binnenwereld gebeuren allemaal dingen. Sommige van die dingen vinden we fijn, andere dingen doen juist pijn.
Met ons 'gedrag' proberen we sommige dingen in de buitenwereld te beïvloeden. Want die komen terug via de zintuigen in de binnenwereld. En dan voelen we ons fijner of hebben we minder pijn.

In de buitenwereld gebeuren alle 'echte' dingen. Die staan in meerdere of mindere mate met elkaar in verband.
Het is fijn om te weten hoe die verbanden zijn. Dan kunnen we beter bepalen wat ons 'gedrag' moet zijn. Want dan voelen we ons eerder fijn of minder pijn.

We kunnen nooit zeker weten wat de verbanden in de 'buitenwereld' zijn. Want we kunnen nooit uit de 'binnenwereld' treden. We moeten het uiteindelijk met onze zintuigen doen.
Maar we kunnen wel allerlei verbanden bedenken. Dat doen we dan ook voortdurend. Soms door wilde fantasieën. Soms door goed op te letten wat er in de buitenwereld gebeurt.

Die bedachte verbanden noemen we 'veronderstellingen', in het grieks: 'hypotheses' of 'theorieën'. Iedereen, hoe 'praktisch' ook, zit dus vol met theorie!
Theorieën zijn erg praktisch maar alleen als we weten dat ze werken. Dus als de verbanden die we verzonnen hebben in de buitenwereld ook blijken te gelden.

Daarvoor moeten de 'hypotheses' 'getoetst' worden aan de werkelijkheid. Dat blijkt erg moeilijk te zijn. Onze zintuigen zien niet alles; bovendien kunnen zij gemakkelijk gefopt worden. En om goede conclusies te kunnen trekken moet aan allerlei regels voldaan worden. Maar als dat gebeurd is mogen ze 'wetenschappelijk verantwoord' genoemd worden.
Dat is dan ook de hele taak van de wetenschap: toetsen van hypotheses.

Van oudsher kwamen mensen die hypotheses wilden toetsen bij elkaar. Want het is wel handig om hypotheses over de zelfde verbanden met elkaar te vergelijken. Je hoeft dan niet alles alleen te doen. Bovendien kon men goed in de gaten houden welke andere hypotheses er zijn. En je brengt elkaar op nieuwe ideeën.

De plaatsen waar men bij elkaar kwam noemt met 'universiteiten'.
Iedereen die iets ontdekt had, een nieuwe hypothese had bedacht of getoetst, kon dat dan gemakkelijk rondvertellen.

Zo ontstond een cultuur van discussie die alleen beslecht kon worden door 'peer reviewed' geschriften. Die cultuur heeft honderden jaren tijd gehad om zich te verfijnen zodat er nu 'faculteiten' zijn met 'leerstoelen' voor 'hoogleraren'. En zij schrijven artikelen waarvoor je lang gestudeerd moet hebben om ze te kunnen begrijpen. En zij discussiëren voor een groot deel over onderwerpen die alleen hen zelf interesseert.

Toen was er internet.
Ook daar weten mensen die hypotheses willen toetsen elkaar te vinden. De beperking van plaats is echter vervallen. Dus iedereen in de wereld kan aan de discussies meedoen.
Dit zijn 'communities'.

De conclusies die er getrokken worden zijn weliswaar niet zo precies als die van de gevestigde wetenschap. Maar dat zou ook niet hoeven. Want met weinig 'peers' is de kans dat een fout gevonden wordt klein. Er moet dan dus volgens strenge regels gewerkt worden.
Maar met veel 'peers' is die kans veel groter. Wikipedia, bijvoorbeeld, wordt geschreven en gecorrigeerd door anonieme schrijvers. Het heeft echter een kwaliteit die vergelijkbaar is met die van gevestigde encyclopaedia.

Zo kan de 'wisdom of crowds' zich onbelemmerd verspreiden. Nieuwe inzichten worden gekopiëerd en naar believen toegepast.

Toch gaat er een alarmbelletje rinkelen.
Want niet alleen de wijsheid maar ook de domheid laat zich zo verspreiden. Men kan het tenslotte maar op 1 manier bij het rechte eind hebben en op ∞ manieren fout...

Geen opmerkingen: